Om het moutmeel zo goed en zo snel mogelijk op te lossen wordt het gestort in voorverwarmd water. Dit dient te gebeuren onder voortdurend roeren om de vorming van klonters te voorkomen. Ook tijdens de verschillende opwarmingsfasen van het verdere brouwproces dient geroerd te worden om de warmte homogeen over de gehele massa te verdelen.

In brouwerijen wordt gestreefd naar een opwarming van 1 à 2 °C per minuut bij de verschillende temperatuurstappen. Bij het gebruik van een rechtstreekse vlam onder de ketel dient men wel voorzichtig te zijn om aanbranden te voorkomen. Het roeren mag niet te heftig gebeuren om zo weinig mogelijk zuurstof in het beslag of de maisch te brengen wegens het gevaar voor oxidatie: slechter filteren en smaaknegatief.

Het geschrote mout neemt bij de storting het water gedeeltelijk op. De hoeveelheid water bij het ‘storten’ is afhankelijk van het type bier dat de brouwer wil maken. Voor een normaal beslag rekent men 3,5 à 4 liter water per kg storting, voor een dunner bier 4 à 5 l water en voor een dik beslag 2,5 à 3,5 liter.

Om 10 liter bier te maken moet de amateur voor maischen en spoelen samen rekenen op 14 à 17 l water. Bij een storting van bv. 3 kg mout voor 10 liter (iets zwaarder) bier gebruiken we 3 * 3 liter = 9 liter water om te beslaan. Er rest dus nog 8 liter om te spoelen. Doorgaans is het handig om niet te krap te rekenen.

In een dun beslag kunnen de enzymen beter hun werk doen. Een dik beslag is aan te raden wanneer men een zoeter bier wil maken. Dit is ook zo voor donker bier omdat men dan bij het spoelen meer kleurstoffen zal kunnen uitwassen.

Om de gewenste beginwaarde (resp. 5,8 of 5,6 tot 5,4) te bekomen kan het nodig zijn het beslag aan te zuren. De amateur gebruikt hiervoor liefst geen al te sterk zuur, bv. melkzuur, beter nog fosforzuur. Enige omzichtigheid is hierbij geboden: wat in het beslag zit, krijgt men er niet meer uit. Mout zorgt uit zichzelf reeds voor een daling van de pH. Voor gekleurde mouten is dit nog meer het geval.