We kunnen het jonge, geklaarde bier nu gaan bottelen. Daartoe wordt het opnieuw overgeheveld in een proper vat en wordt een kleine hoeveelheid verse gist en suiker toegevoegd. Voor de gist wordt de procedure van de giststarter overgedaan. Ca 50 ml gist volstaat evenwel om 10 liter bier te hergisten.

De suiker wordt opgelost in een kleine hoeveelheid water en enkele minuten gekookt om hem te steriliseren. De hoeveelheid toe te voegen suiker berekenen we aan de hand van het verschil van de vergistingsgraad tussen het eigenlijke brouwsel en de labgisting. Maximaal voegen we 8 à 10 g suiker toe (Zie verder bij Meten en Berekenen).

Dit mengsel wordt flink geschud en dan overgeheveld in (goed gereinigde) flessen. Vul de flessen tot 2 à 3 cm onder de rand. Gebruik de gangbare bierflesjes of champagneflessen die kunnen worden afgesloten met een kroonkurk. De bedoeling is dat een gedeelte van de toegevoegde suiker wordt omgezet in koolzuurgas. Door de kroonkurk kan dit niet meer ontsnappen en gaat zich binden aan het bier. Dit zorgt voor het verfrissende effect van het bier en een mooie schuimkraag.

Zet het bier gedurende een 10- tot 14-tal dagen op een donkere, warme plaats (20-25 °C) of dek het af met een deken om de invloed van het licht te weren (zeker voor groene flessen).

Breng het bier daarna terug naar de kelder over en laat het enkele weken rusten. Het is nu klaar voor consumptie.